In Manu Medici

patiëntenzorg - onderwijs - kennisbank

Han Tan is afwezig 
van 24 juli tot 23 augustus

Het lichamelijk onderzoek gaat van minder naar meer belastende testen.

Voor de diagnostiek helpt het om een onderscheid te maken tussen bewegingen in het glenohumeraal (GH) gewricht, of in de schoudergordel: de combinatie van scapulothoracaal gewricht, acromioclaviculair (AC) gewricht en cervicothoracale overgang (CTO). Dat kan met het standaard lichamelijk onderzoek.

De start van het lichamelijk onderzoek is altijd inspectie.
Bij lichamelijk onderzoek in het algemeen, en zeker ook bij bewegingsonderzoek, is de voorkeursvolgorde eerst minder belastende testen en daarna meer belastende testen. Bij schouderklachten valt bij het bewegingsonderzoek de keuze voor de volgorde daarom op eerst onderzoek van de CTO, daarna de exorotatie en endorotatie, en tenslotte de abductie.
Dit is het standaard lichamelijk onderzoek van de schouder.

Bewegingsonderzoek van de CTO kan een vertebrogene oorzaak van de klachten aan het licht brengen, of een verklaring geven voor afwijkende abductie. De exorotatie en endorotatie zijn bedoeld om GH afwijkingen te diagnosticeren en de abductie voor het vaststellen van subacromiale aandoeningen.

Het bewegingsonderzoek kan actief of passief plaats vinden.
Actief onderzoek: de patiënt voert zelf de beweging uit.
Passief onderzoek: de onderzoeker voert de beweging uit terwijl patiënt ontspannen blijft.
De gedachte achter passief onderzoek is dat de actieve structuren (spier en pees) van de patiënt niet/minder worden getest. Dit is natuurlijk maar gedeeltelijk het geval.

Bij het bewegingsonderzoek wordt gelet op
bewegingsuitslag (afkorting ROM = range of motion, AROM = actieve ROM, PROM = passieve ROM)
bewegingsritme (de samenhang tussen de beweging van de verschillende delen)
klachtprovocatie (eventueel geprovoceerde pijn hoeft niet de klacht te zijn)
eindgevoel (het karakter van de weerstand die aan het einde van de ROM verdere beweging blokkeert).

Als anamnese en het standaard lichamelijk onderzoek daar aanleiding voor geven, volgt aanvullend lichamelijk onderzoek op indicatie. Het eventueel aanvullend onderzoek wordt beschreven in 3.2 Schematisch overzicht en bij de diverse ziektebeelden.